Editorial-style educational illustration about autonomy in childhood: a warm, inviting classroom and playground scene showing children making choices, exploring independently, and learning through small risks, with a supportive teacher nearby but not controlling. Include a young child reaching for their own materials on a low shelf, another child helping a classmate with a comforting gesture, and older children working at different stations with visible freedom to choose their workspace. Show open, well-organized spaces, accessible materials at child height, a discovery corner with books and magnifying glasses, a sandbox or water table, and a small garden or outdoor learning area visible through the window or door. Convey trust, self-stimulation, competence, and safe independence through natural light, soft colors, realistic details, and a hopeful, balanced composition with a subtle sense of movement and growth.

Autonomie

Wat verstaan we eigenlijk onder autonomie?

Als je op internet gaat zoeken op de term autonomie, vind je al snel allerlei definities als het recht om zelf te bepalen wat je doet – het vermogen om zelfstandig beslissingen te nemen โ€“ keuzevrijheid โ€“ zelfbestuur โ€“ onafhankelijkheid โ€“ zelfbeschikking. Het woord autonomie vindt zijn oorsprong in het Grieks: auto = zelf; nomos = wet. Samengevoegd kom je dan op de term โ€˜zelfwetgevingโ€™ of โ€˜geregeerd door eigen wettenโ€™. Een autonoom persoon probeert zijn leven in eigen handen te nemen, door keuzes te maken die voor hem of haar belangrijk of betekenisvol zijn. Dat vraagt om een goede dosis zelfsturing, regelmatig het stuur van je leven in eigen handen kunnen nemen en richting kiezen, bijsturen, even stilstaan of vertragen en kritisch kijken naar jezelf en de route die je bewandelt. Autonomie verwijst naar het gevoel van vrijheid en ruimte en de behoefte om zelf keuzes te kunnen maken. Zelfsturing verwijst naar de vaardigheden, de competenties die hiervoor nodig zijn.

โ€œKinderen verdienen de vrijheid waarvoor ze de verantwoordelijkheid kunnen dragenโ€

Waarom is het belangrijk?

Ieder mens heeft behoefte aan autonomie. Het is naast de behoefte aan relatie en competentie, รฉรฉn van de drie psychologische basisbehoeften (Deci en Ryan, 2002). De รฉรฉn heeft meer behoefte aan autonomie dan de ander, maar in de kern kennen we deze behoefte allemaal. Het tegenovergestelde van autonoom zijn is gestuurd worden, zonder eigen inbreng of keuzevrijheid. Dat kan soms ook best fi jn zijn natuurlijk. Maar als je (bijna) nooit de ruimte krijgt om keuzes te maken en zelf beslissingen te nemen, ligt de kans op โ€˜aangeleerde hulpeloosheidโ€™ op de loer. En daarmee het gevoel dat je geen controle hebt over je eigen leven. Een goed ontwikkelde zelfsturing met veel ruimte voor eigen initiatief draagt bij aan je ontwikkeling, een gezond zelfvertrouwen, veerkracht, welbevinden en betrokkenheid, oftewel een gelukkig leven. Maar het verlenen van autonomie is makkelijk, tot het moeilijk wordt.

Hoe kun je autonomie verlenen?

Autonomie verlenen kan niet zonder een goede relatie. Die twee basisbehoeftes zitten aan elkaar vast, het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Vanuit verbondenheid en veiligheid bieden we kinderen ruimte om de dingen te doen die zelf kunnen doen. Dat betekent niet dat we weglopen, we zijn nabij als het nodig is en vangen ze op als ze vallen. Maar vallen hoort bij het leven, dat kunnen we ze niet ontnemen. Je leert je hele leven door te vallen en weer op te staan, soms letterlijk, soms figuurlijk. Autonomie is de vrijheid krijgen waar je de verantwoordelijkheid voor kunt nemen. Daarbij hoort ook de verantwoordelijkheid voor anderen. Jouw vrijheid mag nooit ten koste gaan van die van de ander.

โ€œIk ben ik en jij bent jij, we mogen er allebei zijn en niet de een ten koste van de anderโ€

โ€” Janusz Korczak

Er zit ook altijd een bepaalde mate van risico aan vast. โ€˜Het leven leren vraagt dat je geregeld stappen in het duister zet. Je weet niet helemaal waar je uit zal komen. Er is een risico aan verbonden, maar het is meestal een berekend risico.โ€™ (Ludo Heylen). Voor iedereen ligt hier de grens van aanvaardbaar risico anders. Maar als kinderen nooit risicoโ€™s mogen nemen, blijven ze voortdurend in hun comfortzone zitten. Als we willen dat ze verder komen, zullen ze ook regelmatig in hun stretchzone terecht moeten komen. De leerkuil in, daar gebeurt het, daar vindt ontwikkeling plaats, daar ontwikkel je veerkracht, beleef je avonturen en leer je je leven te sturen. Kinderen zijn geen โ€˜onaffeโ€™ volwassenen, maar volwaardige mensen met potentieel, die initiatief kunnen nemen en verantwoordelijkheid kunnen en willen dragen. Dat vraagt in de eerste plaats om vertrouwen in onze kinderen.

Autonomie bij jonge kinderen

Door initiatieven van jonge kinderen een kans te geven, leren zij met vallen en opstaan. De zelfsturing en ondernemingszin van kleuters wordt aangesproken wanneer zij gedurende de dag zelf keuzes mogen maken, eigen plannetjes kunnen uitwerken, kunnen uitproberen, onderzoeken en op ontdekking kunnen gaan. Om jonge kinderen deze mogelijkheden te bieden, is er iets nodig van jou als leerkracht of pedagogisch medewerker en van de ruimtes waar de kinderen spelen en werken.

Met kleine gebaren, kun je jonge kinderen meer ruimte geven voor autonomie en ook voorzienvan meer oefenkansen voor zelfstandigheid. Geef een kleuter bijvoorbeeld de mogelijkheid om zelf een plakbandje te pakken. Zoiets kleins, maar tegelijkertijd zo groot voor een kleuter. Je geeft ze namelijk jouw vertrouwen, en dat is nogal wat.

Het troostkoffertje, een koffertje met een knuffeltje, pleisters of een zalfje. Is een klas- genootje gevallen of verdrietig, kijk eens of ze elkaar op sommige momenten kunnen troosten en helpen.

Verfpompjes, zodat
kinderen zelf verf kunnen
pakken en bepalen hoeveel
ze nodig hebben.

Door kinderen oefenkansen voor zelfstandigheid te geven, ondersteunen we de ontwikkeling van zelfstandigheid, maar ook het gevoel van competentie. โ€œIk kan het zelfโ€. En dat wil toch ieder kind, zelf doen wat je zelf kรกn.

Ook de ruimtes waar kinderen zich begeven, dragen voor een groot deel bij aan de ontwikkeling van zelfsturing. Uit onderzoek weten we dat kinderen in goed georganiseerde klassen steeds zelfstandiger hun spel kunnen sturen naarmate het schooljaar vordert (Dierickx & Koelman, 2021). Wanneer de ruimtes zo ingericht zijn dat kinderen weten wat ze ergens kunnen doen, zelf materialen kunnen pakken en ook weten hoe ze het weer kunnen opruimen, nodigt dit uit tot initiatief.

De ruimtes waar kinderen spelen en leren, moeten dus enerzijds uitnodigen tot het nemen van initiatief, maar anderzijds ook de mogelijkheid bieden om โ€˜jaโ€™ tegen deze initiatieven te kunnen zeggen. Een mooie ontdekhoek met boeken over insecten, vergrootglaasjes en zoekkaarten zal het idee oproepen om naar buiten te gaan en kriebelbeestjes te zoeken. Is er dan mogelijkheid om hierop in te gaan? Is er bijvoorbeeld een buitenhoek of een moestuintje op het plein in het zicht, waar kinderen zonder begeleiding aan de slag kun- nen? Hoe is de hoek bij de zand- en watertafel ingericht? Kunnen kinderen zelf water pakken of zelf opruimen met bezempjes en stoffer en blik? Staan de materialen op oog- hoogte, is helder wat er in bakken zit, waar grond- of werkplekjes zijn, waar jij aanwezig bent als begeleider en waar niet? Bekijk jouw ruimtes eens door de ogen van je kinderen, welke plannetjes kunnen er ontstaan en kunnen die ook uitgevoerd worden?

Autonomie bij oudere kinderen

Ook kinderen in de midden- en bovenbouw hebben behoefte aan autonomie. De meeste kinderen willen graag meedenken in de aanpak, zelf keuzes kunnen maken en ruimte voor initiatief krijgen. De weektaak (contractwerk) is een zeer relevante werkvorm binnen het procesgericht werken, die daar perfect bij aansluit. Een goed opgezette weektaak geeft veel ruimte aan zelfsturing van de kinderen en biedt hun begeleiders de mogelijkheid om goed te differentiรซren in de klas en in kleine groepjes te werken. Differentiatie niet alleen op moeilijkheid of niveau, maar zeker ook op zelfsturing. Daarbij maken we in de aanpak veel gebruik van het sporenbeleid, waarbij kinderen leren om regelmatig zelf een werkplek te kiezen: in de nabijheid van, of juist verder van hun leerkracht of begeleider af. Consequent refl ecteren met kinderen op deze aanpak is daarbij van groot belang. De driehoek โ€˜ruimte-tijd-criteriaโ€™ geeft daarin veel houvast, om dit proces van vertrouwen en ruimte geven aan kinderen goed te kunnen begeleiden.